Geschiedenis | 1965-1980

De nieuwe Harderwijkse attractie draait goed, in 1965 bezochten 400.000 bezoekers het park en in 1966 verwelkomde het park 800.000 bezoekers. In die drukke periodes werden dagelijks minstens vijf demonstraties met de dolfijnen gehouden.

De interesse voor zeezoogdieren onder directeur Frits den Herder en Dudok van Heel was zo sterk dat men eind 1966 drie witzijdedolfijnen kocht in Californië. De dieren waren in december dat jaar gevangen voor de kust van Santa Barbara.
In februari 1967 werd besloten het showbassin van de dolfijnen geheel te overdekken, op die manier konden bezoekers ook tijdens slecht weer de dolfijnenshow droog en comfortabel bekijken. Er werd zelfs na gedacht om in de winter tijdens de weekenden winter shows te geven.
In diezelfde periode werd ook besloten de al wat oudere Californische zeeleeuwen Spoetnik en Marja te verhuizen naar Burgers dierenpark in Arnhem en Gerrit te verhuizen naar Artis. Twee jongere dieren werden besteld in Amerika, zodat zij getraind konden worden voor het nieuwe seizoen.
De witzijdedolfijnen hebben het niet lang gered, het eerste dier overleed begin maart nadat het dier hersenschade had opgelopen na een val op de bassinrand in januari 1967. Later overleed in april de tweede witzijdedolfijn aan een hartaandoening. De derde witzijdedolfijn overleed later dat jaar.

De bezoekersstroom werd groter en daarom werd besloten dat er een groot overdekt dolfijnenverblijf moest komen. Het moest groot genoeg zijn voor zowel dolfijnen als orka’s en moest zich onderscheiden qua vormgeving. Architectbureau Deelman werd aangeschreven en ontwierp de Koepel. De vorm van het gebouw werd gebaseerd op een ruimteschip, omdat de ruimtevaart in die periode op gang kwam.
In november 1967 werd gestart met de bouw. De koepel die werd opgetrokken met 36 gelijmde houten spanten had een doorsnede van 50 meter, toen de grootste houten koepel in Europa. De Koepel bood destijds plaats aan 2500 bezoekers en de bassins bevatten in totaal 3 miljoen liter kunstmatig zeewater. Het linker bassin achter het showbassin werd ingedeeld in twee bassins en aangesloten op de bestaande bassins. In dit bassin werden in de daaropvolgende jaren veel onderzoeken uitgevoerd met de tuimelaardolfijnen onder leiding van Dr. Dudok van Heel.
Het rechter bassin achter het showbassin heeft een extra onderwaterraam en was bestemd voor orka’s.
Het showbassin heeft een halve cirkelvorm en is 30 bij 15 meter en heeft een diepte van 4 meter. Onder het platform van het showbassin was een observatieruimte gecreëerd met vier onderwaterramen. Daarnaast bevond zich onder het platform een klein laboratorium. Op 16 mei 1968 werd het gebouw opgeleverd. In juli dat jaar werd de Koepel in gebruik genomen en werden er nog geen officiële shows gehouden.

Voor de nieuwe show had men meer dieren nodig. Daarom werden er dolfijnen aangekocht in Florida. Op 1 juli kwamen vier tuimelaardolfijnen aan uit Florida. Onder hen dolfijn Skinny, die tegenwoordig nog steeds in het Dolfinarium leeft.

Op 12 augustus 1968 werd in de media gemeld dat in de avond van 15 augustus een orka zou aankomen op Schiphol, bestemd voor het Dolfinarium. Dat liep echter uit en pas op 17 augustus na een reis van 62 uur kwam de orka aan in Harderwijk. Eind juli werd een jonge mannelijke orka, Tula, van 3,5 meter en 1100 kilo gevangen in de wateren rondom Vancouver Island. Het transport in Canada vanaf Vancouver Island naar de luchthaven in Seattle liep vertraging op waardoor het vliegtuig werd gemist. Uiteindelijk kon het dier mee met een vrachtvlucht naar New York. Daar werd de orka overgeladen op een vlucht die via London naar Amsterdam vloog. In Amsterdam werd de orka overgeladen op een vrachtwagen van transportbedrijf Elgersma waarna het onder politiebegeleiding aankwam in Harderwijk. Om 1.15 uur werd het dier in het speciale orkabassin in de Koepel geplaatst. De aankoop en transport van de orka kostten samen 100.000 gulden.

Tula gaf weinig reactie, door het lange transport had de orka verstijfde spieren opgelopen en dreef alleen wat rond na aankomst. Pas nadat dolfijn Mamalou toegelaten werd in het bassin begon Tula te zwemmen. De orka bleek uitgedroogd te zijn, waardoor de huid van Tula los liet. Tula werd getraind voor de dolfijnenshow het volgende jaar, zo was hij onder andere getraind voor een balsprong en kon hij zichzelf op het platform ‘beachen’.
Op 23 oktober 1968 overleed orka Tula aan de gevolgen van een hartafwijking. Het park overwoog destijds al een nieuwe orka te kopen.

In 1969 deden de Californische zeeleeuwen voor het eerst mee in de shows in de Koepel. Tijdens de show werden zeeleeuwen Veronica en Snuitje gebruikt. Door de bouw van de Koepel kwam er een einde aan de samenwerking van de broers Frits en Coen den Herder. Frits den Herder ging verder met Dolfinarium B.V. en Coen den Herder ging verder onder de oude naam de V.T.B. met de speeltuin en rondvaartboten.
In die jaren doken er ook drie andere dolfinaria op in Nederland. Dolfirama in Zandvoort opende haar deuren in 1969, in 1970 startte Ouwehands dierenpark met een dolfijnenshow en in Rotterdam werd het drijvende Dolfirodam geopend. Het Dolfinarium ging een samenwerking met Dolfirodam aan en gaf advies, zorgde voor dolfijnen en Californische zeeleeuwen, trainers en voeding. Eind 1971 besloot het Dolfinarium de samenwerking met Dolfirodam te stoppen door een tekort aan dolfijnen en omdat de dolfijnen last van hun luchtwegen zouden krijgen door de vervuilde lucht in Rotterdam.
Door de toenemende concurrentie moest het Dolfinarium zich meer gaan onderscheiden. Daarom werd besloten om in 1970 een glaswand van 22 meter lang en 2,75 meter hoog te plaatsen in het oude showbassin. Er werd een nieuwe show opgezet waarbij de dolfijnen onderwater gevoerd werden. Ook werd een nieuw buitenverblijf voor zeeleeuwen gebouwd: het schaatsvormige Robarium.
Dit bleek uiteindelijk een succes en 1970 werd een topjaar voor het park, het Dolfinarium behaalde dat jaar één miljoen bezoekers.

Het Dolfinarium kreeg in dat jaar van het Ministerie van Landbouw en Visserij de vergunning voor de opvang van gestrande zeezoogdieren. Dit betekende de start van opvang en rehabilitatie wat tot op heden nog steeds in Harderwijk plaatsvindt. Verder kreeg het Dolfinarium de officiële status van dierentuin en werd lid van de Nederlandse Vereniging van Dierentuinen.

Door het succes in 1970 werd er in 1971 opnieuw geïnvesteerd in het Dolfinarium. Zo werd tegenover de onderwaterglaswand het nieuwe parkrestaurant de Tuimelaar en een educatieve expositieruimte geopend. Naast de vele bezoekers werd ook veel vooruitgang geboekt in het onderzoek naar dolfijnen door Dr. Dudok van Heel. Hij voerde diverse onderzoeken uit met de dolfijnen en bracht daarover een boek uit genaamd “Dolfijn, hoe doe je het?”. In mei beviel voor het eerst een dolfijn van een jong. Het jong, een mannetje, overleed echter na een week op 24 mei.
Op 25 mei opende het Dolfinarium een tweede locatie in het Belgische Brugge. In samenwerking met architectenbureau Deelman werd het dolfinarium in Brugge ontworpen. Een showbassin met twee achterbassins dat overkapt werd met een luchtkoepel. Een aantal tuimelaardolfijnen, Californische zeeleeuwen en twee trainers verhuisden naar Brugge.

In 1972 ging het minder goed met het Dolfinarium. Het park trok 300.000 bezoekers minder dan voorgaande jaren en liep daardoor een miljoen gulden aan inkomsten mis, met als gevolg ontslag voor tien werknemers. Het park stond daardoor dicht bij een faillissement en besloot ook gelijk de eerder ingevoerde winteropening niet te herhalen. De daling van het bezoekersaantal was waarschijnlijk te wijten aan de Floriade in Amsterdam die veel bezoekers afsnoepte.
In dat jaar kwamen ook de eerste Stellerzeeleeuwen naar het Dolfinarium. Drie dieren werden gehouden in het Robarium, gescheiden van de Californische zeeleeuwen.

Opnieuw werd in het buitenland een vestiging geopend. Op 3 augustus 1974 werd een dolfinarium in het Duitse Munster geopend. Het dolfinarium had dezelfde opzet als dat in Brugge en ook hier kwamen tuimelaardolfijnen, een aantal Californische zeeleeuwen en trainers uit Harderwijk.

In 1975 overleed directeur Frits den Herder. Hij was de grondlegger van het Dolfinarium, mede door zijn ideeën is het Dolfinarium zo geworden als het nu is en zonder hem was een toeristische impuls voor de stad Harderwijk waarschijnlijk uitgebleven. Zijn zoon Frank den Herder werkte al sinds enige jaren mee in het park en nam het stokje van zijn vader over.

Op 8 juli 1976 opende het Dolfinarium haar walrussenverblijf: Nova Zembla. In dit verblijf kwamen drie jonge walrussen van twee jaar oud. Zij verbleven sinds 1974 achter de schermen in de Koepel, nadat ze via de dierentuin van Moskou uit Siberië naar Harderwijk gekomen waren. In 1976 werden de dieren te groot en verhuisden zij naar hun nieuwe verblijf. Dit verblijf bevatte 260.000 liter water en had achter het droge gedeelte een aantal separatieverblijven. Het witte verblijf moest een Noordpool gebied nabootsen, met nagemaakt ijsschotsen in het water. Met de komst van de walrussen kwam het Dolfinarium destijds dichter bij een ‘Oceaanzoo’. Het park had de ambitie om zoveel mogelijk oceaandieren te laten zien.

Eerder in 1975 en begin 1976 dreigde het Dolfinarium om Harderwijk te verlaten, als mogelijke verhuislocaties werd gekeken naar Scheveningen, Hoevelaken en Venlo. Het park was ontevreden over het feit dat zij wel vermakelijkheidsbelasting moest betalen en andere dierentuinen in Nederland niet. Daarnaast was het park ontevreden over de slechte bereikbaarheid en een gebrek aan uitbreidingsmogelijkheden. De gemeente Harderwijk plande uiteindelijk de aanleg van een nieuwe weg waardoor het recreatieverkeer beter verwerkt kon worden en later kreeg het Dolfinarium de mogelijkheid verder uit te breiden.

In Huy in België werd door Frank den Herder in mei 1976 een park met een klein dierenpark, een speeltuin en een dolfinarium geopend waar op dat moment alleen zeeleeuwen verbleven. In juni 1977 verhuisden twee tuimelaardolfijnen naar het dolfinarium waar dat seizoen shows mee gegeven werden. Het dolfinarium had één bassin, waarvan een klein deel was afgezet wat diende als separatiebassin. In 1978 werden de dolfijnen weer verhuisd naar het dolfinarium in Brugge. Dit vanwege problemen met de plaatselijke overheid, waardoor er geen zekerheid was over watertoevoer en elektriciteit. Het park hield na 1978 nog wel een aantal zeeleeuwen, waarmee ook shows werden gegeven.

In oktober 1976 werden in het zuidoosten van IJsland drie jonge orka’s gevangen. De orka’s kregen de namen Gudrun, vernoemd naar de boot waarmee de dieren werden gevangen, Kenau en Kim. Gudrun en Kenau werden in november verhuisd naar de Koepel in het Dolfinarium en Kim verhuisde naar het Franse Marineland in Antibes.
Gudrun en Kenau werden 1 jaar oud geschat, hadden een lengte van 2,7 meter en wogen ca. 300 kg. In het begin werd gedacht dat Kenau een mannetje was, dit bleek echter niet te kloppen. In mei 1977 werd Kenau verhuisd naar SeaWorld Californië.
Tijdens die zomer gaf Gudrun samen met de tuimelaardolfijnen shows in de Koepel. In tegenstelling tot wat men verwachtte kon Gudrun goed opschieten met de dolfijnen en zij verbleef dan ook dagelijks samen met de dieren in één bassin.

In oktober 1977 werden opnieuw orka’s gevangen bij IJsland in samenwerking met het Amerikaanse SeaWorld. Zes orka’s, twee mannetjes en vier vrouwtjes werden gevangen en tijdelijk in IJsland in een drijvend bassin van netten gehouden. Na een aantal weken kwamen zij per twee in november 1977 naar Harderwijk. Een deel van deze orka’s bleef niet lang. Een mannetje en twee vrouwtjes verhuisden in december al door naar SeaWorld parken in Amerika. Uiteindelijk was er nog één mannetje over: Magnus. Het was de bedoeling dat hij in de toekomst met Gudrun voor nakomelingen zou zorgen. Helaas overleed Magnus in december aan bloedarmoede.
In maart 1978 vertrokken de overige twee vrouwtjes, Hoi Wai en Winnie, naar Windsor Park in Engeland. Zij werden per vrachtwagen naar de haven van Hoek van Holland vervoerd, waarna ze per boot de oversteek naar Engeland maakten. De orka’s die naar Engeland vertrokken verbleven in de bassins achter de Koepel, waardoor Gudrun geen direct contact met deze orka’s had. Magnus was dan ook de laatste orka waar Gudrun contact mee had.

Begin 1978 werd de ingang van het Dolfinarium opnieuw aangelegd. Er kwamen kantoorgebouwen, kassa’s en een souvenirwinkel in de stijl van ‘vissershuisjes’. Daarnaast werd het park meer aangekleed met bloemenperkjes en nieuwe terrassen.
In dat jaar kwam het Dolfinarium ook met een opmerkelijk artikel in Schilder’s nieuws- en advertentieblad. Volgens directeur Frank den Herder waren er afspraken gemaakt met Burgers dierenpark en het Noorder-dierenpark om ieder zich te specialiseren in een bepaald werelddeel waardoor de parken elkaar niet in de weg zouden lopen. Den Herder kondigde aan dat het park binnen twee á drie jaar ijsberen zou gaan houden en in de toekomst zelfs plannen had voor pinguïns. Daarmee zou het park een “complete oceaanzoo” worden.
In 1978 ving het Dolfinarium een gestrande bruinvis op nadat het dier strandde op Texel. Het dier herstelde en was in 1979 kort te zien voor het publiek in het onderwaterpanorama voordat het dier in mei overleed.

Eind 1979 kreeg het Dolfinarium de kans uit te breiden richting het aangrenzende meer het Wolderwijd, wat opgespoten zou worden na de uitbaggering van de vaargeul naar de jachthaven. Het Dolfinarium was van plan hier een 17e-eeuws themadorp te maken gebaseerd op het dorp Smeerenburg op Spitsbergen. Hier zou onder andere een verblijf voor zeehonden moeten komen. Op het idee om ijsberen en pinguïns te gaan houden kwam het park terug, omdat de verzorging van de dieren een kostbare investering zou zijn. Daarnaast stond ook een nieuw groot speeldorp op palen gepland op het Veluwestrand.

In de periode tot 1980 verwierf orka Gudrun veel bekendheid die in de jaren 80 alleen maar groter zou worden.

 

» Bekijk hier meer foto's in het fotoalbum.

Met speciale dank aan:

Dolfinarium Harderwijk
Gie Robeyns
Marten Huigen

Schilder’s nieuws- en advertentieblad